'Frui (vino)' is Latijn voor 'genieten (van wijn)'

'Frui (vino)' is Latijn voor 'genieten (van wijn)'  

fru·i (latijn)

fru·i /'fru.iː/

werkwoord; deponent • vormen: frui (infinitief), fructus sum (voltooid deelwoord)

  1. Genieten van, zich verheugen in, ten volle benutten (geconstrueerd met de ablatief).
  2. De vruchten plukken van, rendement halen uit een ervaring of product.
  3. vi·no fru·i /'wiː.noː 'fru.iː/: Genieten van wijn; het bewust degusteren en waarderen van wijnkwaliteit.

Etymologische context & Toepassing

[vino frui = genieten van wijn]
De Latijnse term frui overstijgt het louter consumeren; het impliceert een actieve waardering van vakmanschap, herkomst en kwaliteit.

Selectie & Kwaliteit: Vino frui veronderstelt een gerichte keuze voor wijnen met een uitgesproken herkomst, een evenwichtige structuur en een boeiend smaakprofiel.

Terug naar blog